Het lexicon van de zee

Inleiding: De zee heeft zijn eigen taal. Kent u een woord niet, of intrigeert het u? U hoeft niet verder te zoeken! Laat het lexicon van de zee uw gids zijn.

Aber

Een aber (Keltisch woord dat monding betekent) of een ria (Galicisch woord) is een baai die gevormd wordt door het laagste deel van de vallei van een kuststroom die, helemaal of gedeeltelijk, overspoeld wordt door de zee. De internationale aardrijkskunde gebruikt het woord ria, maar het Bretonse woord aber wordt ook gebruikt. Een ria is een vallei, die niet dateert van de ijstijd, van een kuststroom die onderloopt door een verhoging van het niveau van het zeewater, waarbij een aber meer specifiek een ria in trechtervorm is, open aan de kant van de zee.



Accastillage – Dekhulpen

Het geheel van de accessoires aan dek (ketens, lijnen, karabijnen, lieren...) die nodig zijn voor het zeilen van een kleine boot, meer specifiek voor watersporten en op jachten.



Accoster of accostage – Aanleggen

De actie waarbij men zich naar iets toe beweegt tot men het kan aanraken, als men over een boot spreekt (Aanmeren aan de ponton)



Affaler – neerhalen

Het zeil neerhalen



Amarre – meertros

Kabel die een boot verbindt met het land of met een ponton.



Amarrer – Aanmeren

Een boot met kabels vastmaken aan het land of aan een ponton.



Annuaire de marées – Getijdentafel

Tabel die de tijden en hoogtes/laagtes van eb en vloed weergeeft per dag en per haven.



Annexe – Bijboot

Vaartuig vastgemaakt aan een schip of boot. Dient meestal om aan land te gaan als men voor anker ligt in een kreek.



Anse – Kreek

Zeer kleine baai.



Appontement – Aanlegsteiger

Houten constructie die toelaat boten af en op te laden.



Appareiller – Afvaren 

De haven of aanlegplaats verlaten



Aquaculture – Watercultuur 

Productie van planten (algen) of dieren (schaaldieren, schelpen, vissen…) in het water.



Bâbord – Bakboord 

Linkerkant van de boot als men naar voor kijkt.



Baie – baaitje 

Kleine inham.



Balise et Bouée cardinale – Baken en kardinaalboei

Waarschuwen voor gevaren voor vaartuigen.



Banc – Bank 

Ophoping van sediment (zand, modder…) op de bodem, die zich verplaatst en de vaarroutes kan verstoren.



Barre (barrer, barreur) – Roer (sturen, stuurman)

Deel dat en beweegt om de boot te besturen. Kan rechtstreeks verbonden zijn of met een stuurwiel.



Bassin à flot – Buitenhaven

Deel van de haven dat met de zee verbonden is.



Bois flotté – Drijfhout 

Hout dat door de actie van de wind, de stromingen of de getijen naar de kust gebracht is. De naam 'drijfhout' verondersteld dat het hout vele dagen, weken of jaren doorgebracht heeft in zee.



Bouchot Steun voor het kweken van mosselen en andere schelpdieren. In het algemeen gaat het over eiken of kastanjehouten balken met een lengte van 2 tot 6 meter.



Bout – Eind

Alle touwen aan boord behalve het klokketouw. (Wordt als 'Boutte' uitgesproken)



Bruine – Motregen 

Een fijne regen die in onzichtbare druppels valt



Capitainerie – Havenmeester

Het kantoor in de haven waar alle informatie in verband met het varen en de havendiensten te krijgen is.



Canot – Bootje

Klein scheepje zonder brug.



Cap – Kaap of koers

Uitstekende landtong, richting waarin een vaartuig zich beweegt ten opzichte van het noorden.



Catamaran

Vaartuig met 2 rompen.



Chenal – kanaal

Passage, vaak uitgegraven, om vaartuigen door te laten.



Coëfficient de marée – getijdenhoogte

Indicator, in cijfers, die de waterhoogte van het getij aanduidt.



Conchyliculture – schelpencultuur

Het kweken van schelpdieren.



Coque – romp

Lichaam van een vaartuig. Kan enkel of meervoudig zijn.



Corps-mort, Coffre – Ligplaats, koffer

Betonnen tegel of zwaar gewicht, op de bodem geplaatst, en verbonden met een kofferboei die toelaat dat schepen zich aanmeren.



Courant – stroming

Beweging van een vloeistof, bijv. getijdenstroom, zeestromen…



Crachin – motregen

Zeer fijne regen, onophoudelijk en doordringend.



Crique – Kreek

Kleine baai.



Débarcadère of embarcadère – kade, aanlegplaats

Pier die het laden en lossen van passagiers en goederen toelaat.



Dérive – Kielvlak

Stuurvlak onder een vaartuig dat het verhindert zijwaarts te bewegen.



Dessaler – Kapseizen

Omslaan van een zeilboot.



Dune – Duin

Recente geologische formatie, bestaand uit opgehoopt zand, afkomstig van het degraderen van zand door de actie van de wind en de zee. De kustduinen huisvesten een specifieke fauna en flora, gekarakteriseerd door hun aanpassing aan een zeer droge omgeving.



Eclosarium

Maritiem onderzoekscentrum.



Ecoute – schoot

Lijn die dient om de zeilen te regelen.



Embrun – Nevel

Fijne zeewaterdruppels die door de wind verspreid worden.



Equipage – bemanning

Het geheel van de personen die deelnemen aan de manoeuvres van een vaartuig.



Estran – Vooroever

Deel van de kust dat tijdelijk door de zee bedekt wordt. Ook de zone tussen de getijden.



Estuaire – Trechtermonding

Monding van een stroom of rivier waar de invloed van de zee merkbaar is. Het water is er zout of brak.



Etale – dood tij

Dood tij is het ogenblik tussen twee getijden waar er geen tij is. Dit fenomeen, dat verschillende keren per dag voorkomt, vindt plaats:
• après na het stijgende tij tussen vloed en eb,
• après na het vallende tij tussen eb en vloed.
Duurt meestal niet meer dan 20 minuten, maar dit vangt af van de locatie en de periode.



Etrave – Steven

De voorkant van een vaartuig.



Filin – Lijn

Touw met enkele torsie. Vallen, schoten, meertrossen, zijn lijnen.



Flot (flux) – Vloed

Stijgend getij



Flottaison – Vloedlijn

Plek op de romp tot waar het water komt als het vaartuig geladen is.



Flotte – Vloot

Groep vaartuigen die samen navigeren.



Feu – Licht

Vuurtoren of lamp die dient voor de oriëntatie van vaartuigen.



Foc – Fok

Middelgroot voorzeil.



Gîte – Overhellen

Het schuin in het water liggen van een vaartuig door de actie van de wind in de zeilen.



Godille – verbonden woord: wrikken

Roeispaan verbonden aan de achterkant van een vaartuig dat toelaat het voort te bewegen door deze heen en weer te 'wrikken'.



Goémon – Zeewier

Zie ook Varech.



Golfe – Golf

Kleine binnenzee.



Gouvernail – Roer

Instrument om schepen te besturen.



Grain – Vlaag

Meteorologisch fenomeen gekenmerkt door een plotse verandering van windrichting, vaak gepaard gaand met regenbuien en storm.



Grand voile – Grootzeil

Belangrijkste zeil van de grote mast.



Gréement – Tuigage

Het geheel van zaken die een zeilboot voortbewegen: masten, zeilen, lijnen.



Guépard

Een rubberboot ontworpen en gelanceerd in de jaren 1960 door Etienne Riguidel, op basis van een platte bodem.



Haubans – Tuig

Kabels die de mast recht houden.



Hauturier – Diepzee

Wat de volle zee betreft.



Hisser – Hijsen

Een zeil hijsen op een mast.



Houle – Zeegang

Beweging van de zee.



Jetée – Havenhoofd

Constructie in stenen die bescherming biedt.



Jusant, reflux – eb

Dalend getij.



Laisse de mer – vloedlijn

Accumulatie hoog op het strand van afval van maritieme (wier, schelpen, drijfhout…) of menselijke (afval) oorsprong.



Latitude – Breedte

De hoek gevormd vanaf een gegeven punt op aarde in het verticale vlak van de evenaar, en geteld van 0 tot aan ± 90° vanaf de evenaar, positief naar het noorden, negatief naar het zuiden.
(Voorbeeld: De Golf van Morbihan ligt op een breedte van 47°, op de 47ste paralel)



Longitude – Lengte

De hoek gevormd vanaf een gegeven punt op aarde in het verticale vlak van de evenaar, en geteld van 0 tot aan ± 90° vanaf de evenaar, positief naar het noorden, negatief naar het zuiden.



Littoral – Kust

Interface tussen het land en de zee, een zone met een grote biodiversiteit en verschillende landschappen.



Marais salant – zoutpan

Klein ondiep bassin waar men zout oogst.



Marée – Getij

De beweging van het water van de zeeën en oceanen veroorzaakt door de gecombineerde effecten van de aantrekkingskracht van de maan en de zon.
De maan werkt als een magneet op de oceanen. Zijn aantrekkingskracht op aarde is twee maal zo sterk als die van de zon, omdat de maan dichterbij staat.
Hun acties combineren zich met elkaar op verschillende manieren, afhankelijk van hun respectieve posities:
• De grote getijden, ook gekend als springtij, tijdens de volle en de nieuwe maan, als de maan en de zon in lijn staan met de aarde.
• Als de maan en de zon een rechte hoek vormen met de aarde (tijdens het eerste en laatste kwartier) hebben we dood tij.



Marinière

Gestreepte trui met lange mouwen in katoen jersey, met tweekleurige horizontale strepen



Mâture

De masten van een vaartuig.



Mile – mijl

Angelsaksische lengtemaat gelijk aan 1609.



Mille – zeemijl

Afstand van ongeveer 1852 m.



Monocoque – Enkelrompig

Vaartuig met een enkele romp.



Mouillage (mouiller) – Ankerplaats (ankeren)

Plaats waar boten voor anker kunnen gaan.



Mouiller – Ankeren

Het anker uitwerpen om de boot in een 'rust' toestand te houden.



Mytiliculture – Mosselkwekerij



Nœud – Knoop

Eenheid van snelheid, gelijk aan 1 zeemijl per uur, of 1852 m/u.



Ostréiculture – Oesterkwekerij

Paludier of Saunier – Zoutteler



Persoon die in de zoutpannen werkt



Pavillon – Vlag

Vlag vastgemaakt aan de mast.



Pêche à pied – Te voet vissen

Vissen aan de rand van de zee, vooral bij laag tij, bestaat erin met de hand of met gereedschap schaal- en schelpdieren te vangen. Vooral voor menselijk verbruik, en onderhevig aan strikte reglementeringen (grootte, hygiene…).



Plancton – plankton

Plantaardige (fytoplankton) en dierlijke (zoöplankton) organismes die in zoet, brak en zout water leven. Plankton is de basis van de voedselketen.



Plate

Bootje met platte bodem (origineel in hout), gebruikt door de oesterkwekers, nu in aluminium, zeer robuust en in staat gebruikt te worden in ondiepe zones, voor toegang tot en werken in de oesterbedden.



Pont – Brug

Bovenkant van een schip



Ponton

Drijvende kade: aanleggen aan de ponton.



Poupe – Achtersteven

Achterkant van een vaartuig.



Proue – Voorsteven, boeg

Voorkant van een vaartuig.



Rade – Rede

Bassin met een opening naar zee waarin vaartuigen bescherming kunnen vinden.



Régate – Regatta

Race op zee.



Ria

Zie Aber



Sinagot

Typisch zeilschip dat gebruikt werd om te vissen in de Golf van Morbihan en de baai van Quiberon.



Spi

Een spinnaker (of spi) is een type zeil dat gehesen wordt aan de voorkant van een zeilboot als het vaartuig voor de wind vaart



SNSM

Société de Nationale des Sauveteurs en Mer – Nationale Vereniging van Redders op Zee – Missie: levens redden op zee en op de kust



Timonerie – Stuurhuis

Waar de instrumenten en navigatiehulpen bewaard worden



Tribord – Stuurboord

Rechterkant van de boot als men naar de voorkant kijkt.



Trimaran

Boot met 3 rompen.



Tirant d’eau – Diepgang

Afstand tussen het onderste punt en de waterlijn van een vaartuig.



V.H.F.

Very High Frequency – Zeer hoge frequentie



Varech – Zeegras

Wieren (Fucus) en waterplanten door de zee achtergelaten op de oevers, wordt in sommige kuststreken als meststof gebruikt.



Vareuse – Jekker

Een korte blouse in grove zeilstof, voor zeelieden en vissers.



Les termes pour les manœuvres :

Accoster, affaler, amener, border, cap, choquer, envoyer, vent (au), vent (sous), vent arrière, vent debout, virer vend devant, virer lof pour lof.